De Belgische Keuken
Achtergrondinformatie
Deel 2
Terug naar Deel 1

De Keuken in de Lage Landen tijdens de "Gouden Periode"
(13e-16e eeuw)
Met deze wou ik u deze keer een beetje meer vertellen over de geschiedenis
van de Belgische keuken, tijdens de bloeiperiode, voornamelijk vanaf
de 13e-14e eeuw, tot het einde van de 17e eeuw... Hoewel deze "vertelling"
lang uitgerekt schijnt, verdriet het mij ten zeerste dat de inhoud
lang niet volledig is. Gezien de buitengewoon rijke geschiedenis
van Vlaanderen en België als geheel spreekt het vanzelf dat vier
bladzijden bij lange na geen volledig beeld van alle invloeden en
stromingen kunnen schetsen.
Na een scheutje geschiedenis en een snuifje filosofie en een kopje
vloeibaar brood bij een bordje boterham, leert u meer over wat het
"plebs" en de "elite" zoal op tafel kregen, en tenslotte een -veel
te summier - woordje over de Vastenperiodes.
Op het einde van deze "verhandeling vindt u enkele originele recepten
die dateren uit de 15e en de 17e eeuw...
Ik hoop wel dat mijn poging om een algemeen - zij het dus onvolledig
- beeld te schetsen u toch kon interesseren.
Wie nog blijft twijfelen over de grandeur en de ongelooflijke rijkdom
van de Vlaamse en Belgische keuken, is hiermede vriendelijk uitgenodigd
om tijdens de aanstaande Breughelavond zijn ongelijk te komen bewijzen...
Een nootje geschiedenis...
Oorspronkelijk was Vlaanderen bewoond door Kelten, die door de
Germanen west- en zuidwaarts werden verdreven. Van de zesde tot
de negende eeuw behoorde Vlaanderen, dit is de huidige provincies
Oost- en West-Vlaanderen, alsook Zeeuws- en Frans-Vlaanderen, geheel
tot het grote Frankenrijk van de Merovingische en Karolingische
vorsten. Het werd gekerstend door de prediking van de grote geloofsverkondigers.
Bij de verdeling van het Karolingisch rijk in 843 door het verdrag
van Verdun kwam het gebied op de linkeroever van de Schelde aan
West-Frankenland. Boudewijn I met de IJzeren Arm oefende het bestuur
uit over het kustgebied rondom Brugge, dat de naam Vlaanderen droeg.
Tussen 879 en 1067 werd het graafschap zuidwaarts en oostwaarts
uitgebreid.
Na 1127 kende Vlaanderen hachelijke ogenblikken. Koning Lodewijk
VI van Frankrijk verhief Willem van Normandie tot graaf, maar deze
kon zich niet handhaven tegen de Vlaamse burgers. In 1128 werd Dirk
van de Elzas tot graaf uitgeroepen. Onder zijn regering en die van
Filips van de Elzas (1168-1191) namen macht en welvaart in aanzienlijke
mate toe. Een bloeiend lakennijverheid bevorderde de ontwikkeling
van de handel en de politieke machtsuitbreiding van de grote steden
Brugge, Gent en Ieper. Brugge werd de stapelplaats voor de zeehandel
van noordwestelijk Europa, en de kunst kende een hoogtepunt.
De welvaart van Vlaanderen wakkerde bij de intussen ook sterker
geworden Franse koning het verlangen aan tot annexatie. Na 1214
kwam Vlaanderen meer en meer onder Franse invloed. Tegen die dreiging
zocht het hulp bij Engeland vanwaar het overigens de wol betrok
als onontbeerlijke grondstof voor zijn lakennijverheid; de Engelsgezinde
politiek van graaf Gwijde van Dampierre (1280-1305) bracht hem in
openlijke strijd met zijn leenheer Filips de Schone. In 1297 werd
Gwijde van Dampierre verslagen, en in 1300 met zijn familie gevangen
gezet. De willekeur en overmoed van de stadhouder Jacques de Chatillon,
de afpersingen van zijn ambtenaren en het uitdagende bezoek van
Filips en zijn gemaling te Brugge in mei 1301, waarbij de Fransgezinde
partij (Leliaards) grote feesten hield, wekt de verontwaardiging
van de volkspartij (Klauwaards), aangevoerd door Pieter De Coninck
en Jan Breydel. Overal ontstonden volksbewegingen, onder andere
te Brugge, waar op 19 mei 1302 de Fransen werden vermoord (Brugse
Metten). Het leger door Filips gezonden om de Vlamingen te tuchtigen,
werd in de Guldensporen slag van 11 juli 1302 verslagen; einde september
1304 werd een voorlopig verdrag getekend. In juni 1305 werd de vrede
gesloten, waardoor Vlaanderen opnieuw onafhankelijk werd, maar zijn
voornaamste steden moest ontmantelen.
De ligging van de Belgische vorstendommen, de bloei van de steden
en gelijkgerichte belangen leidden tot de sluiting van vaak onbestendige
verbonden. Het waren de voorboden van de "federatieve" vereniging
onder de hertogen van Bourgondië en vooral onder Filips de Goede
(1419-1467). De door dit vorstenhuis gelegde banden werden nog meer
kracht bijgezet door de ongelooflijke bloei van de kunsten in deze
"Gouden Eeuw", die de groeiende verstandhouding en het eigen karakter
van deze beschaving op Europees vlak vertolkten. Enkele namen :
de gebroeders van Eyck, Roger van der Weyden, Hans Memling.
Na de Bourgondische heerschappij kwam de Habsburgse (1482-1555),
daarna de Spaanse (1555-1713). Onder de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)
nam Vlaanderen aanvankelijk deel aan de opstand, maar werd snel
door Spanje bedwongen. Bij de Vrede van Munster in 1648 moest Spanje
Staats-Vlaanderen aan de republiek der Verenigde Nederlanden afstaan.
Later verloor het nog Duinkerken, Rijsel en andere steden aan Lodewijk
XIV van Frankrijk. Sedert 1713 maakte Vlaanderen deel uit van de
Oostenrijkse Nederlanden, en van 1797 tot 1815 vormde het twee Franse
departementen, die in 1815 als Oost- en West-Vlaanderen bij het
Koninkrijk der Verenigde Nederlanden werden gevoegd. Na de Belgische
opstand van 1830 kwamen zij aan het nieuwe gevormde koninkrijk België.
De Goddelijke Hiërarchie der Spijzen
In deze wereld die door de filosofen verticaal werd ingedeeld,
werd ook voedsel ingedeeld al naargelang de afstand tot God. Boven
op deze ladder bevinden zich de vogels die zich in de lucht voortbewegen,
het meest verheven van de vier elementen. Helemaal onderaan vindt
men de planten die voortkomen uit de aarde. Men maakte onderscheid
tussen bladeren die groeien uit een stengel zoals kolen en erwten,
en deze die direct uit de wortel groeien, zoals spinazie en sla.
De wortels en knollen zelf komen onderaan, omdat zij onder de grond
groeien en worden aldus misprezen. Deze hierarchie werd zelfs onderschreven
door de geneesheren van die tijd. Voor bepaalde vruchten, zoals
aardbeien en meloen werd zelfs de grootste voorzichtigheid geboden,
wegens potentieel gevaarlijk voor het menselijk gestel! Men stelt
dus vast dat de toenmalige elite voornamelijk gevogelte en vruchten
at. Groenten daarentegen werden als minderwaardig beschouwd en dus
voedsel voor de armen.
Over -vloeibaar- Brood
Brood
was een belangrijk bestanddeel van het voedselpakket. Men had het
in allerlei vormen en gemaakt van velerlei granen. Tarwe, gerst,
rogge, haver, boekweit en gierst werden gebruikt als ingrediënten.
Gerst en haver werden echter als minderwaardig beschouwd. De arme
zal zich meestal met mindere broodsoorten hebben moeten voeden.
Brij en pap stonden ook vaak op zijn menu. Bij bijzondere gelegenheden,
en zeker als men opgehangen of verbrand werd, kreeg men het luxe
witte tarwebrood, een schrale troost! Het is begrijpelijk dat, omdat
brood zo belangrijk was, de bakkers onder strenge controle stonden.
Overtredingen van de regels werden streng gestraft. Dat men soms
andere opvattingen over gezonde voeding had, blijkt uit het
veel voorkomende verbod om zemelen in het brood mee te bakken. Men
bakte veel thuis. Vandaar dat men bij tal van huizen een losstaand
bakhuis aantrof. Brood en banket bakken, waren duidelijk verschillende
dingen. Voor taarten pasteien en vlaaien moest men naar de pasteibakker,
bij de broodbakker kon men daarvoor niet terecht.
In
de Middeleeuwen was bier vloeibaar brood: eten en drinken tegelijk.
De eerste herbergiers brouwden zelf op hun boerderij-brouwerij bier
voor reizigers, de draf diende als veevoeder. Kloosterlingen spekten
hun kas door bier te verkopen.
Bier drinken was veiliger dan water, omdat het koken de bacteriën
doodde. Vanaf de 17de eeuw vestigden zich veel brouwerijen en stokerijen
in "Vrijsteden" zoals Hoegaarden en Lembeek, die vrijgesteld waren
van accijnsheffingen.
De oorsprong van de vele Belgische biersoorten en hun rijkdom aan
smaken is terug te voeren tot 1364, het jaar waarin de Duitse keizer
Karel IV een nieuwe brouwwet uitvaardigde, de "Novus Modus Fermentandi
Cervisiam". Daarin wordt voor 't eerst het gebruik van hop in Brabant
verplicht, in tegenstelling tot het graafschap Vlaanderen, dat onder
het gezag van de Franse koning viel, die via het gruitrecht de brouwers
verplichtte andere kruiden te gebruiken waarvan hop geen deel uitmaakte.
Aan Taaaafel !
Lange tijd at men slechts twee maaltijden per dag, Maar langzaam verschoof
de eerste maaltijd naar de middag, zodat men 's morgens uiteindelijk
iets lichts ging gebruiken: het ontbijt.
In het algemeen was er wel een wijd aanbod aan beschikbare voedindsmiddelen
en de bereidingswijzen waren verrassend gevarieerd. Men kon 'sieden',
'backen', 'fruyten', 'stoven', 'braden', 'prossen', 'soken', 'temperen'
... Sommige schotels waren zeer eenvoudig, andere bijzonder pikant
en exotisch.
Maatschappelijk waren er in de Middeleeuwen grote verschillen en
uiteraard kon lang niet iedereen zich een levensstijl permitteren
met zo'n uitbundige wijze van eten.

Als je arm was moest je het met veel minder doen. En de meeste mensen
waren arm. Zij moesten zich voeden met eenvoudige graanpap en met
brood, uien, kool en wortels. Aardappels kende men toen nog niet,
die kwamen pas na de ontdekking van Amerika naar ons werelddeel.
Bij de gewone mensen op het platteland bereidde de vrouw het eten.
Alles werd in een pot samen gekookt. Die pot hing aan een haak boven
het haardvuur. Verhard brood werd als bord gebruikt en men at vooral
met de vooral met de hand en depte met stukjes brood. Stokvis en
zoute vis stonden soms ook op het menu.
Er waren nogal wat steden waar het stadsbestuur regels uitvaardigde
voor dienstboden en het gewone volk, voor het geval dat die iets
te vieren hadden. Het voedsel werd voorgeschreven, men mocht maar
een bepaald aantal gasten uitnodigen en ook de samenstelling van
het gezelschap werd in grote lijnen bepaald. Wijn mocht niet geschonken
worden en bedelaars e.d. mochten niet worden toegelaten, want die
kwamen toch alleen om hun maag te vullen. Het zal duidelijk zijn
dat men in die tijd een ander leven leidde als wij nu; men dacht
en voelde anders, veel meer vanuit de enorme sterke positie, die
de plaatselijke gemeenschap innam. De kooplieden behoorden tot de
rijke burgers en zij probeerde de adel de loef af te steken. Uitgebreide
en kostbare maaltijden waren daartoe een van de middelen. Op deze
wijze benadrukten zij hun steeds sterker wordende positie. Zij genoten,
in vergelijking met het gewone volk, ook een grotere vrijheid.
Echter niet iedereen had genoeg te eten. Hoewel grote hongersnoden
zelden nog voorkwamen dank zij de gunstige klimaatsomstandigheden
in de 11 tot de dertiende eeuw, zorgden bijzonder barre winters
en slechte zomers aan het einde van de middeleeuwen weer voor grote
voedseltekorten. Het werd hoe langer hoe moeilijker om in de noden
van de steeds uitbreidende bevolking te blijven voorzien, en in
het bijzonder door de ravage aangericht door de Honderdjarige Oorlog,
de hoge belastingsdruk en slechte organisatie in de transporten
verergeren de situatie.
Zonder twijfel mag men wel aannemen dat de situatie voor de plattelandsbevolking
er sterk op vooruitging tegen het einde van de 15e eeuw. Tegelijkertijd
neemt het verbruik van vlees toe, vooral in de 15e en 16e eeuw.

In tegenstelling tot de armen was eten voor de rijken een belangrijke
bezigheid. Het menu was zeer uitgebreid. Feesten namen in hun leven
een belangrijke plaats in. Ze aten niet veel groenten maar vooral
veel vlees. Behalve kip is er een grote keus aan gevogelte: duiven,
leeuweriken, ganzen, wilde eenden, merels, reigers, zwanen, patrijzen,
pauwen, fazanten, ze worden op alle mogelijke manieren gestoofd,
gebraden, gekookt of in een pastei gestopt. Opmerkelijk is de grote
variëteit aan vis: snoek, barbel, prik, karper, paling, louw, bruinvis,
rog, platvis, spiering, elft, kabeljauw, labberdaan, heilbot, rode
poon, schelvis, haring, brasem en zalm; Naast schapenvlees , runds-
en varkensvlees was er konijn, eend, duif, reebout en wild zwijn.
Geregeld wordt de combinatie kip (kapoen, hoen) met varkensvlees
voorgeschreven, iets minder vaak met kalfsvlees. Kapoen of hoen
genoten blijkbaar een grote voorkeur:. Rund en hamel zijn twee andere
graag gewilde vleessoorten, evenals konijn, haas en wild. De meeste
dieren werden gevild , gekookt, opgevuld en weer toegenaaid. Van
vlees en vis werden alle delen gegeten: poten, kop (met de ogen),
ingewanden, teelballen, uier, keelstuk, niervet, kuit, viswangetjes
en -koppen...
De smaak van onze voorouders was ook extremer dan die van ons.
Aan ongeveer ieder gerecht worden allerlei specerijen toegevoegd.
Deze waren, zoals gezegd, allemaal ‚peper'-duur en vermoedelijk
meer een statussymbool dan smaakmakers voor fijnproevers. Ze werden
zonder onderscheid door elkaar gemengd: gember, kaneel, kruidnagel,
kardemom, galanga, foelie, peper, saffraan, nootmuskaat. De combinatie
van zoet, zout en zuur is normaal. In bijna alle gerechten wordt
suiker gebruikt. Die was óók duur; de ‚gewone' man zoette met honing.
Er wordt altijd maar weer beweerd dat de middeleeuwer zoveel scherpe
specerijen gebruikte om de smaak van niet steeds al te vers vlees
(of vis) wat te verdoezelen. Natuurlijk hadden ze geen koelkasten,
maar ze wisten best hoe ze hun aan bederf onderhevige eetwaar konden
bewaren: ze pekelden het. Dat verklaart ook waarom in de meeste
kookboeken bijna nooit zout als ingrediënt vermeld wordt, want dat
was vaak overbodig.
Sausen zijn heel belangrijk, niet alleen voor de smaak, ook voor
het oog: men kan ze in allerlei kleuren maken. Veelal wordt een
flinke scheut ‚verjus' (letterlijk vertaald: ‚groen sap') of azijn
toegevoegd. Diëtetisch was dit zeer verstandig - hoewel ze zich
daar waarschijnlijk niet van bewust waren - want dit zure sap maakte
al die vette spijzen veel beter verteerbaar. Algemene bindmiddelen
waren beenmerg, gekookte granen, fijngehakt kippenvlees, broodkruimels
en amandelmelk.
In het oog springend was het kleurenpalet. Vrolijk saffraangeel, lichtgroen, paars en diepe tinten rood.
Vasten
Voor
iedere vrijdag en zaterdag gold het vleesverbod, gevast moest worden
tijdens de 40 dagen tussen Aswoensdag en Pasen, op de quatertemperdagen
en de kruisdagen, tijdens de advent en op de vigilies. Op het grootste
deel van deze dagen - waarvan het totaal meer dan vijf maanden per
jaar bedroeg ! - mocht slechts brood, groenten en vis gegeten worden;
vlees, eieren en zuivelproducten waren verboden. Men zocht dus naar
voedzame compensatiespijzen.
Enkele recepten…..
Zoete kippenpastei (vertaald recept)

Pasteien waren vroeger pronkstukken op tafel en het hoogtepunt van
een feestelijke maaltijd. Op 17de-eeuwse schilderijen zijn ze volop
te zien! Meestal kocht men een pastei bij de pasteibakker. Niet
alleen omdat dit een tijdrovende klus is, maar ook omdat maar weinig
mensen een bakoven bezaten. De vulling werd meestal in een deegkorst
gebakken en afgedekt met een deksel van deeg, voorzien van fraaie
versiersels. De korst at men meestal niet, maar het deksel wel.
Tijdens het afbakken goot men via het deksel een saus in de pastei.
Die saus bestond uit een geurig vocht, gebonden met eidooiers. Voor
het aansnijden van een pastei bestonden regels, zoals in het bewerkte
recept is te lezen.

Om een soet kieckenpastey te maken (1669)
Neemt ‚t kiecken, een weynigh gesoden zijnde, leght het in de pastey.
Kruyt het met caneel, nagelen en weynigh noten en gember, daerby
leggende pruymen van Demast, geconfijte peeren en karsen, sucade,
pingelen en boter. Laet'et een uur backen. De saus moet zijn van
wijn en suycker, ofte anders soete room, met doren van eyeren, gewelt,
en suycker. Dan wortse oock wel genaemt: een soete roompastey.
Neem een kip die even gekookt heeft en leg die in de pastei. Kruid
hem met kaneel, kruidnagel, een beetje nootmuskaat en gember. Leg
daarbij kwetsen, gekonfijte peren en kersen, sukade, pijnboompitten
en boter. Laat de pastei een uur bakken. De saus moet bestaan uit
wijn en suiker, of anders uit zoete room met eidooiers en suiker,
samen geweld. Dan wordt deze ook wel genoemd: een zoete roompastei.
Uit : "De verstandige kock" uit de 17e eeuw)
Tot slot nog 2 recepten uit : "Het Notaebel Boecxken" (Thomas van der Noot - ca. 1475 - ca. 1525 - uitg. Te Brussel)
Om eyeren te vollen.
Neemt herde eyeren, peltsse, ende clooftse in den midden ende neemt
de doyeren uut. Neemt dan groen cruyt, te weten: roosmarijn, margeleyn,
ende diergelijcke. Neemt dan eenen pot waters, ende latet op de
seude commen, doet er dan u cruyt in, ende latet een walleken ofte
twee opsieden. Neemt dan het cruyt weder uut het water, ende doetet
in eenen mortier, ende doet er de herde eyeren by, stampet tesamen
wel cleyn ende doet er dan by: suycker, canneel, foeylie, gyneber,
gepoedert, ende roeret wel ondereen. Alsdan so vollet hol van den
witte der eyeren met desen cruyde, elck half ey besonder. Alsdan
soo neempt een panne met boter, laetse bruyn werden, ende legt de
halve gevolde eyeren daerin, met het cruyt tegen de panne, ende
laetse so roosten. Ghy moechtse oock wel om keeren, ende als u dunckt
datse genoech zijn, so dientse ter tafelen, ende strooyt er suycker
op.
Om gecloven nonnen te maken.
Neemt herde eyeren ende doet de doyeren uut in eenen mortier. Doet
er dan by gebraden appelen, canneel ende suycker. Stootet tsamen
wel ende doet dese spijse in den witte van de eyeren ende backet
in de bruyn boter. Strooyt er dan canneel ende suycker over ende
dienet ter tafelen.
Eenen dranck voor siecken te maken die eenen quaden hoest hebben ende gheen fluymen lossen en connen.
Neemt eenen pot regenwaters ende een half vyerken Rijnschen wijn,
azijn ende dry vyerkens suyveren witten maechdenhonich. Daernaer
laet dit altsamen sieden ende schuymet schoon af ende siedt het
so langhe in eenen schoonen nieuwen aerden pot. Ter tijt toe dat
het niet meer en schuymt, nemet dan van het vyer ende latet geheel
claer door eenen stromijn loopen. Daernaer settet in eenen schoonen
steenen pot wel dicht toeghedeckt ende laet den siecken hier af
des morghens nuchteren een roomerken lau gemaeckt in drincken ende
twee uren daerop vasten. Des avonts voor den eten mach hy desghelijcx
ooc doen. Dit doet de taeye fluymen lossen ende is dicwils geprobeert.
Machteld Potouridis - Van Vosselen
Bronnen :
http://www.explorian.com/ned/history/class/consult/preview_arch
http://www.kookhistorie.com
http://expositions.bnf.fr/gastro.enimages/
http://www.dehollandsepot.nl
Richard III Society-Ohio Chapter (Verhandeling : "Fifteenth Century
Life - Dining in State : A High Cuisine Guide" door Thomas L .Coles)
Terug naar Deel 1
Terug naar boven
|